Elie Wiesel, Nacht

Wiesel, nachtElie Wiesel (1928-2016) werd geboren in Sighet, Hongarije. In 1944 werden de Hongaarse Joden gedeporteerd naar Auschwitz. De Joodse gemeenschap werd gewaarschuwd, maar geloofden de berichten over de vernietigingskampen niet. Elie en zijn familie werden op transport gezet.  Bij aankomst in Auschwitz worden zijn moeder en jongste zus onmiddellijk vergast. Hij en zijn vader  worden tewerkgesteld in het aangrenzende werkkamp Auschwitz III Monowitz. In januari 1945, werden vader en zoon gedwongen te marcheren naar  Buchenwald, waar Elie’s vader overlijdt. Hij is zestien jaar als hij daar in april 1945 wordt bevrijd. In het boek Nacht beschrijft Wiesel zijn kampervaringen. Hij beschrijft de gruweldaden, maar ook hoe hij als orthodoxe Jood in het kamp zijn geloof verliest. Door heel het boek heen klinkt de vraag: waar is God? Het antwoord dat hij zelf geeft is teleurstellend. Het geloofsvertrouwen dat we lezen bij onder andere Floris B. Bakels en Corrie ten Boom ontbreekt bij hem. Eenzaamheid blijft over.

Het boek is ondertussen in meer dan dertig talen vertaald en behoort tot de belangrijkste werken uit de holocaustliteratuur. Het citaat dat volgt is later beroemd geworden in het denken over het probleem van het kwaad. We lezen er de bittere aanklacht aan het adres van God, wanneer er drie mensen worden opgehangen; twee volwassenen en een kind. Voor Wiesel is dit het moment dat hij zijn geloof in God verliest.

“De drie ter dood veroordeelden stapten gelijk op hun stoelen. De drie nekken werden tegelijk in de stroppen gestoken. ‘Leve de vrijheid’ riep de twee volwassenen. Het kind zei niets. ‘Waar is de barmhartige God, waar is Hij? vroeg iemand achter mij. Op een teken van de Lagerälteste werden de drie stoelen omgeduwd. Doodse stilte in het hele kamp. Aan de horizon ging de zon onder. “Mutsen af” schreeuwde de Lagerälteste. Zijn stem klonk schor. En wij, wij huilden. “Mutsen op!” Daarna begon het defilé. De twee volwassenen leefden niet meer. Hun tong hing dik en blauw uit hun mond. Maar het derde koord bewoog nog: het kind, dat te licht was, leefde nog. Meer dan een halfuur bleef hij hangen tussen leven en dood, kronkelend voor onze ogen. En wij moesten hem recht in het gezicht kijken. Toen ik langs hem liep leefde hij nog. Zijn tong was nog rood, zijn ogen waren nog niet gebroken. Achter mij hoorde ik dezelfde man vragen: “waar is God toch?” En in me hoorde ik een stem die antwoordde: “waar Hij is?” Daar hangt hij, aan de galg…”

Het boek Nacht vormt samen met Dageraad en Dag een trilogie.

 

 

 

Een gedachte over “Elie Wiesel, Nacht

  1. Pingback: Katarcast | Episode 12 | Gerko Tempelman | God na de dood van God

Reacties zijn gesloten.