Gerrit Achterberg, en Jezus schreef in ’t zand

Achterberg, En Jezus schreef in t zandDe bundel en Jezus schreef in ’t zand verscheen in 1947. Voor deze bundel ontving Achterberg de Staatsprijs voor de Letterkunde. De titel is ontleend aan een gedicht over Johannes 8:1-11, de geschiedenis van de overspelige vrouw. Jezus veroordeelt de zondares niet, maar ‘nederbukkende, schreef met de vinger in de aarde’. Gezien zijn levensloop is met name het gedicht bekering erg indrukwekkend. Hij spreekt erin van vergeving en nieuw leven voor de grootste van de zondaren.

Gerrit Achterberg (1905-1962) werd geboren in een Calvinistisch gezin met acht kinderen. Achterberg kende een veelbewogen en tragisch leven en werd verschillende malen in een psychiatrische inrichting opgenomen. Zijn verloving werd verbroken nadat hij, met een pistool in de hand, had gedreigd zelfmoord te plegen. Vanwege zijn psychische gesteldheid werd hij afgekeurd voor militaire dienst. Het tragisch dieptepunt kwam op 15 december 1937 toen hij zijn hospita doodschoot en haar 16 jarige dochter verwondde. Achterberg meldde zich diezelfde dag bij de politie. In het proces werd hij niet toerekeningsvatbaar verklaard en veroordeeld tot TBS. Tot 1943 verbleef hij in diverse psychiatrische inrichtingen. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Leusden. In 1962 overleed hij aan een hartaanval. Ondanks de gruwelijke gebeurtenissen uit zijn leven wordt Achterberg beschouwd als één van de belangrijkste dichters uit de twintigste eeuw. Vanaf zijn debuut Afvaart in 1931 publiceerde hij een dertigtal bundels. Van zijn Verzamelde gedichten (1963) werden meer dan vijftigduizend exemplaren verkocht.

Bekering

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Heere Jezus
Tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens
wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lendenen zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweede maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.