Brief aan Diognetus

Brief aan diognetusHet scheelde maar weinig of niemand zou ooit van de Brief aan Diognetus hebben gehoord. Het manuscript zou in een stapel pakpapier bij een vishandel in Constantinopel hebben gelegen, waar het in 1436 bij toeval werd ontdekt. Later, in 1870, is het manuscript alsnog verloren gegaan tijdens de Frans-Duitse oorlog. Toen waren er gelukkig al voldoende kopieën. De auteur van de brief is onbekend en ook de datering is onzeker. Vermoedelijk is de brief ergens in het midden van de tweede eeuw geschreven. Het is een apologetisch geschrift waarin iemand die onlangs tot geloof gekomen is vragen beantwoordt van een buitenstaander. Diognetus vraagt zich af: wie is die God die de christenen dienen? Op welke manier dienen ze Hem? Wat voor liefde is het die de christenen onderling zo sterk bindt? Waarom kwam deze nieuwe religie niet eerder? De auteur wijst erop dat God de Verlosser stuurde volgens Zijn plan. Nadat de mensen eerst tot besef gebracht waren dat ze zichzelf niet konden redden, heeft Hijzelf het initiatief genomen om hen te redden van zonde en onwetendheid.

De auteur presenteert het christendom als superieur aan de Griekse filosofie. Het christelijk geloof is immers gebaseerd op Goddelijke openbaring. De waarheden van het geloof zijn niet door mensen bedacht, maar door God onthuld. Christenen zijn anders, maar niet minder. Integendeel. Beroemd is de passage uit hoofdstuk vijf, waarin beschreven wordt wie de christenen zijn.

“Ze wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Ze delen in alles mee als burgers, maar hebben alles te lijden als vreemdelingen. Elk land is hun een vaderland en elk vaderland is hun vreemd. Ze trouwen als ieder ander. Ze krijgen kinderen, maar leggen ze niet te vondeling. Ze delen hun tafel maar niet hun bed. Ze leven ‘in het vlees’, maar niet ‘naar het vlees’. Ze vertoeven op aarde, maar zijn thuis in de hemel. Ze gehoorzamen de vastgestelde wetten, maar door hun levenswijze overtreffen ze deze wetten. Ze hebben alle mensen lief en worden door iedereen vervolgd. Ze zijn niet gekend, en worden toch veroordeeld; ter dood gebracht, en ten leven gewekt. Ze zijn arm als bedelaars en maken velen rijk; ze lijden aan alles gebrek, en hebben alles in overvloed. Ze worden onteerd, en die ontering strekt hen tot roem; ze worden belasterd en worden gerechtvaardigd. Ze worden gesmaad en ze zegenen; beledigd en ze bewijzen eer. Doen ze goed, dan worden ze gestraft als boosdoeners; worden ze gestraft, dan verheugen ze zich als werden ze tot leven gewekt. Door de Joden worden ze bestreden als mensen van een andere stam, door de Grieken worden ze vervolgd. En die hen haten kunnen geen reden voor hun vijandschap geven.”