Søren Kierkegaard, Vrees en beven

De Deense filosoof Søren Kierkegaard vp vrees stofomsl.indd(1813-1855) zag het als zijn roeping om de Deense staatskerk wakker te schudden. Ze was volgens hem verworden tot een gezapig instituut, waar de genade goedkoop geworden was. Kierkegaard stelde hier de diepe ernst en radicaliteit van het evangelie tegenover. In Vrees en beven wil hij doordringen in de wereld van het geloof. Hoe komt het dat mensen daar zo snel klaar mee zijn? Hij concludeert dat men het zicht op wat geloven is, is kwijtgeraakt. Om de ongelooflijke diepte van het geloof te peilen neemt Kierkegaard ons mee naar Genesis 22, waar Abraham de vader aller gelovigen beproefd wordt. Wat als God het onmogelijke vraagt? De auteur probeert drie prangende vragen te beantwoorden: bestaat er een teleologische suspensie van het ethische? Bestaat er een absolute plicht tegenover God? Zijn er zaken waarover je niet kan spreken? Kierkegaard komt tot de radicale conclusie dat die absolute plicht er is. Kierkegaard lezen is niet eenvoudig en hem begrijpen nog moeilijker. Toch is het zeker de moeite waard! De auteur zelf voorspelde dat hij alleen door dit boek voor altijd herinnerd zou blijven. En hij heeft gelijk gekregen.

“[Abraham] besteeg de berg Moria, maar Izak begreep hem niet. Hij wende zich een ogenblik van hem af, maar toen Izak Abrahams gezicht weer zag, was dat veranderd: zijn blik was wild, zijn gedaante was een verschrikking. Hij greep Izak bij zijn borst, wierp hem tegen de grond en zei: ‘Domoor, geloof jij dat ik je vader ben? Ik ben een afgodendienaar. Geloof jij dat dit een bevel van God is? Nee, het is mijn moordlust.’ Toen sidderde Izak en riep in zijn angst: ‘God in de hemel erbarm u over mij, God van Abraham erbarm u over mij. Als ik dan geen vader op de aarde heb, weest u dan mijn vader.’ Maar Abraham zei zacht bij zichzelf: ‘Heer in de hemel ik dank u, want het is toch beter dat hij gelooft dat ik een onmens ben, dan dat hij zijn geloof in u zou verliezen. (…)

Zo en op nog veel soortgelijke manieren overdacht die man, over wie wij hier spreken deze gebeurtenis. (…) Hij vouwde zijn handen en zei: ‘Er was toch niemand zo groot als Abraham. Wie is in staat hem te begrijpen?’