Blaise Pascal, Gedachten

Pacal, gedachten“Er was eens een man die, toen hij twaalf was, met staafjes en rondjes de wiskunde schiep; die, toen hij zestien was, de knapste verhandeling over kegelsneden schreef sinds de oudheid; die, toen hij negentien was, een theoretische wetenschap in een machine toepaste; die, toen hij drieëntwintig was, de theorie van de luchtdruk formuleerde en zo een van de grote vergissingen van de oude fysica van tafel veegde; die, op een leeftijd dat andere mensen zich nauwelijks van hun bestaan bewust zijn, al heel de cyclus van de humane wetenschappen doorlopen had, besefte hoe nietig ze waren en zijn aandacht op de godsdienst richtte; (…) die ten slotte, tijdens de korte periodes tussen zijn ziektes in, door abstractie, een van de grootste problemen uit de meetkunde wist op te lossen en gedachten neerschreef over God en de mens.” Zo omschreef Chateaubriand de auteur van Pensées, Blaise Pascal  (1623-1662). Los van de hagiografische overdrijving kunnen we Chateaubriand alleen maar gelijk geven. Blaise Pascal was een groot genie, zoals er maar zelden een wordt gevonden. Dit blijkt ook zeker uit Gedachten, een onvoltooide apologie die in 1670 posthuum werd uitgegeven. Na zijn dood vond men talrijke notities en bundels papieren die bedoeld waren als apologie van het christelijk geloof. Met grote hartstocht en scherpte gaat hij in op de verhouding tussen de nieuwe wetenschap en het christelijk geloof.

Het boek is een verzameling van losse notities, sommigen van één zin, anderen van meerdere pagina’s. Het is de ongepolijste verwoording van zijn inzichten. Als fundament onder alles ligt de gedachte dat de waarheden van de rede nooit kunnen volstaan als basis voor de religie. Of met de woorden van pascal: ‘het hart heeft redenen die de rede niet niet kent‘. In het boek vinden we de beroemde ‘gok van Pascal’ en zijn, nog bekendere, mémorial. Dit mémorial is de weerslag van een diepe Godservaring in de nacht van 23 op 24 november 1654. De tekst werd na zijn dood gevonden op een stukje perkament, ingenaaid in zijn kleding.

 

“Vuur
‘God van Abraham, God van Isaac, God van Jacob’, niet die der wijsgeren en geleerden.
Zekerheid. Zekerheid. Aandoening. Vreugde. Vrede.
God van Jesus Christus.
Deum meum et Deum nestrum.
‘Uw God zal mijn God zijn.’
De wereld vergeten, en alles buiten God.
Hij wordt slechts gevonden langs de wegen, die in het Evangelie worden geleerd.
Grootheid van ’s mensen ziel.
‘Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u niet gekend, maar ik heb u gekend.’
Vreugde, vreugde, vreugde, tranen van vreugde.
Ik heb me van hem afgescheiden:
Dereliquerent me fontem aquae vivae.
‘Mijn God, zult Gij mij verlaten?’
Dat ik in eeuwigheid niet van Hem gescheiden worde.
‘Dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, de enig ware God, en Dien Gij gezonden hebt, Jesus Christus.’
Jesus Christus
Jesus Christus
Ik heb mij van Hem afgescheiden; ik ben voor Hem gevlucht, heb Hem verloochend, gekruisigd.
Dat ik nooit van Hem gescheide worde.
Men kan Hem slechts bij zich houden langs de wegen, die in het Evangelie worden geleerd.
Algehele en zoete zelfverloochening.
Algehele onderwerping aan Jesus Christus en aan mijn geestelijke leidsman.
Eeuwig in vreugde voor een dag oefening op aarde.
Non obliviscar sermones tuos. Amen.”