Bernardus van Clairvaux, God liefhebben

Clairvaux, God liefhebben“U wilt van mij horen waarom wij van God moeten houden, en hoe. Dan zeg ik: de reden om van God te houden, dat is God. En de mate waarin? Mateloos moet het zijn.” Dit zijn de openingswoorden waarmee Bernardus van Clairvaux (1090-1153) zijn traktaat begint. Alles wat volgt is toelichting hierop, zo schrijft hij. Bernardus was een Franse abt uit de orde der Cisterciënzers die in 1115 het klooster van Clairvaux stichtte. Behalve vanwege zijn rol in het initiëren van de tweede kruistocht, is hij vooral bekend geworden dankzij zijn mystieke geschriften en preken. Vanwege dit laatste kreeg hij wel de bijnaam doctor mellifluus (honingvloeiende leraar). De diligendo Deo is nu opnieuw vertaald onder de titel God liefhebben. In dit beroemd geworden traktaat schetst Bernardus in lyrische en beeldrijke bewoordingen de liefdesrelatie tussen God en mens. Het werk wijst ons erop waar het om draait in het leven, namelijk God liefhebben. En wie soms vergeet hoe groot de liefde van God is voor ons, die moet dit boek lezen. Een parel uit de kerkgeschiedenis.

Het traktaat is opgebouwd uit drie hoofdstukken en een inleiding. Bernardus begint in hoofdstuk één met het stellen van de vraag waarom we God zouden moeten liefhebben. We moeten God liefhebben om wat Hij voor ons gedaan heeft en Zijn grootste gave is wel dat Hij ons eerst heeft liefgehad. ‘God verdient dus de liefde omwille van Zichzelf, ook van de kant van de niet-christenen’. Het tweede hoofdstuk handelt over hoe we moeten houden van God. Het antwoord is: mateloos. ‘Hij is zo groot, zijn liefde is zo groot en om niet, en wij zijn zo piepklein! Tja, dat zijn we’. We moeten God liefhebben om wie Hij is en niet vanwege beloning en toch worden we beloond voor die liefde, de beloning is God Zelf. In het derde hoofdstuk gaat Bernardus in op de vier trappen van liefde. De eerste trap is dat we onszelf liefhebben vanwege onszelf, de tweede is dat we God liefhebben om onszelf, de derde trap is dat we God liefhebben om Zichzelf, in de vierde trap worden we zo met God verenigd dat we ook onszelf lief kunnen hebben vanwege God. Dit is de hoogste staat. Bernardus spreekt hier van vergoddelijking: de mens wordt opgenomen in de onmetelijke zee van Gods liefde, zoals een druppel water in een groot vat wijn. Pas in de hemelse heerlijkheid zal de mens deze staat daadwerkelijk bereiken. Dan zullen we eeuwig aanzitten bij de bruiloft van het Lam, dronken van liefde. Bernardus eindigt met een beschrijving van deze heerlijkheid.